Ik proefde het gehemelte alsof het van een ander was. Droog van adem die niet de neus verliet, lucht die nog aan donkere dromen kon ontsnappen.
Ik zag geraamtes van bomen. Diep zwart en vertakkend tegen het grijs van de ochtend, het diepe blauw van de avond.
In al hun naaktheid de vreemdste vormen. Langgerekte populieren staken boven alles statig uit, een waaiervormige kastanjeboom vond ik eenzaam in de wei.
Ik rook de eerste warmte van een dichtbije lente, het zachte windje verwelkomend in mijn open jas.
Ik voelde het fietsen door de lucht. Het moment voor bewustwording, van de ketting en het kettingwiel, die hun samenwerkingsverband hadden opgezegd.
Ik hoorde de etenstijd, de stille straat met afwezigheid. Lopend voort met, aan de hand, mijn gehandicapte fiets. Ik negeer zijn schaamte, het vertrouwen is niet zomaar weg.
Woody Allen schreef deze verhalen vrijwel allemaal voor het blad The New Yorker en daar zullen ze ook beter tot hun recht zijn gekomen dan in een boek. The Complete Prose is een bundeling van de drie boeken (Getting Even, Without Feathers en Side Effects) waarin al zijn verhalen al eerder waren gepubliceerd. Nadat ik in eerst instantie elk verhaal ging lezen maar sporadisch werd beloond met een goeie grap heb ik helaas door meerdere verhalen heen moeten bladeren. Slechts een paar verhalen zijn me bijgebleven, en die vond ik ook meteen hilarisch. Allen’s interpretatie van de Bijbel bijvoorbeeld in ‘The Scrolls’:
[...] And so he took Isaac to a certain place and prepared to sacrifice him but at the last minute the Lord stayed Abraham’s hand and said, “How could thou doest such a thing?”
And Abraham said, “But thou said-”
“Never mind what I said,” the Lord spake. “Doth thou listen to every crazy idea that comes thy way?” And Abraham grew ashamed. “Er-not really … no.”
“I jokingly suggest thou sacrifice Isaac and thou immediately runs out to do it.”
And Abraham fell to his knees, “See, I never know when you’re kidding.”
And the Lord thundered, “No sense of humor. I can’t believe it.”
“But doth this not prove I love thee, that I was willing to donate mine only son on thy whim?”
And the Lord said, “It proves that some men will follow any order no matter how asinine as long as it comes from a resonant, well-modulated voice.” [...]
Een ander goed verhaal ‘A Twenties Memory’ komt bekend voor als je recentelijk ‘A Midnight in Paris’ gezien hebt. De ontmoeting met beroemde personen uit de Westerse culturele wereld van de jaren twintig wordt hier beschreven. Op jacht in Afrika met Ernest Hemingway en op bezoek bij Pablo Picasso met Gertrude Stein:
[...] We laughed at [Picasso's] delightful notions, but toward the late 1930s, with fascism on the rise, there was very little to laught about. Both Gertude Stein and I examined Picasso’s newest works very carefully, and Gertrude Stein was of the opinion that “art, all art, is merely an expression of something.” Picasso disagreed and said, “Leave me alone. I was eating.” My own feelings were that Picasso was right. He had been eating.” [...]
Mijn oordeel over Woody Allen’s schrijven is niet heel positief, maar dat komt denk ik niet zozeer door Woody Allen maar eerder door mijzelf. Het feit dat al deze verhalen gepubliceerd werden in een weekblad geeft ook aan dat ze geschreven zijn voor een andere manier van lezen dan waar ik mijzelf op ingesteld had. Als je een dergelijk verhaal elke week even tussendoor mag lezen dan ben je daar zeker blij mee. Als je tientallen van zulke verhalen zoals ik achter elkaar gaat lezen dan worden alle kleine grapjes steeds minder waard. Uiteindelijk kijk ik gewoon liever naar zijn films.
De rode loper was al voor me uitgelegd, dacht ik. Het bleek voor de Amsterdam Film Week, het festival met de best beoordeelde films die je om die reden dan ook allemaal al hebt gezien. Het benadrukte misschien ook de allure die het opgepoetste City Theater (Jan Wils, 1935) als nieuw geheel van bioscoop, casino en restaurant hoopt uit te stralen. Mijn interesse ging enkel naar het bioscoopgedeelte maar deze stelde mijn nieuwsgierigheid ietwat teleur.
De huisstijl van Pathé blijkt te bestaan uit paarse vloeren, gele plafonds en zwarte muren. Vooral deze laatste gecombineerd met de onnozele angst om te laat te komen (onnozel aangezien Jean Mineur elke voorstelling minstens een kwartier krijgt om zijn waar te tonen) uitten zich heel even in een vermoeiend gevoel van desoriëntatie. In een gebouw waar een raam een zeldzaamheid is geven zwarte muren al snel het gevoel van een donker hol, en schurken de sferen chic en louche onbedoeld tegen elkaar aan.
Als je kijkt naar het nieuw gebouwde Raakspoort (Bolles & Wilson, 2011) in Haarlem waar zich onderin de bioscoopzalen van Pathé bevinden, begrijp je meteen waarom hier zoveel ruimte is overgelaten voor de vide. Het licht van boven zorgt ervoor dat het vele meters onder de grond ook nog aangenaam blijft. Beide bioscopen zijn zichtbaar flinke investeringen van Pathé en weerspiegelen de hoop op de bioscoopbezoeker die zachte stoelen, grote schermen en een flinke geluidsinstallatie verkiest boven zijn laptop met torrents. Daarnaast zouden de aanwezigheid van het restaurant en het casino ervoor moeten zorgen dat je hele avond gevuld is.
In Hollywood lijkt het steeds gewoner te worden om in de trailer alvast de hele film samen te vatten, zo ook bij Drive (wees gewaarschuwd). Misschien heeft dit te maken met zwakke scenario’s en zouden veel films ook niet langer dan hun trailer mogen duren. Het heeft er in ieder geval voor gezorgd dat ik trailers angstvallig ben gaan mijden. De film Drive had ik echter nog niet eens van gehoord, het was gewoon de enige film die al zo vroeg in de middag draaide. Daarnaast bleek het een PAC-film (Pathé Alternative Cinema) en dat is een initiatief dat ik best met mijn inflaterende euro’s wil steunen.
Het gebrek aan informatie zorgde er misschien voor dat ik me overdreven bewust was van alle beeldsuggesties waarmee ik in mijn hoofd een verhaal trachtte te maken. Ik kon er natuurlijk niet aan ontkomen dat een film die Drive heet ook daadwerkelijk over iemand gaat die in auto’s rijdt, maar ergens hoop je toch op een minder directe interpretatie. Een film over een bejaarde die met zijn scootmobiel de Verenigde Staten doorkruist of een hedonist die plotseling niet meer weet hoe hij moet genieten.
Drive gaat dus wel over een driver, namelijk Ryan Gosling, bekend van Blue Valentine. Overdag werkt hij in een garage en in de avonden verhuurt hij zich aan overvallers als bestuurder van de vluchtauto. Hij is een mysterieuze einzelgänger die weinig van zichzelf prijs geeft, en dus ook zijn naam niet. Hij heeft standaard een houtje in zijn mond en als hij ‘s avonds laat thuis komt staart hij vanuit zijn donkere appartement naar nachtelijk Los Angeles.
De snelheid waarmee de regisseur de hoofdpersoon probeert te introduceren vond ik een beetje smakeloos. Voor ik er erg in had werd ik al voorgesteld aan zijn potentiële vriendin Irene en haar zoontje Benicio. Samen maken ze allemaal leuke ritjes totdat haar man Standard Gabriel terugkomt uit de gevangenis. Hoewel dit natuurlijk problemen in de relationele sfeer oplevert, bleek al snel dat dit niet de insteek van het scenario is. Voor bescherming in de gevangenis heeft Standard wat schulden gemaakt en middels een honkbalknuppel wordt hij er aan herinnerd dat deze nog ingelost moeten worden. Met zijn pogingen om Standard en vooral Irene en haar zoontje te helpen wordt de driver helaas ook het doelwit van de criminelen. Wat volgt is een Western aandoend fight for justice, waar de held alle vijanden zelfstandig uit de weg ruimt.
Het verhaal komt over als een vrij algemene actie-film, maar toch heeft Pathé haar gemiddelde bezoeker willen waarschuwen door hem op te nemen in de PAC-selectie. Een opvallend verschil zit hem in de montage. Er wordt veel gebruik gemaakt van slow motions en de regisseur verkiest duidelijk artistieke boven informatieve shots. Drive wordt vooral bij het begin begeleid door een sterke soundtrack. Wanneer er in een film al één muziekstuk zit dat ik na de film ga opzoeken dan was het mijn geld meer dan waard. Twee aansprekende nummers zijn het syntpoppy Under Your Spell van Desire en eenzelfde nostalgisch aandoende A Real Hero van College en Electric Youth. Zoals ook de titel laten de nummers weinig aan de fantasie over en benadrukt Under Your Spell nog even dat de driver en Irene verliefd zijn.
Mijn enthousiasme geldt helaas niet voor de gehele soundtrack. De slow motions worden begeleid door de synthesizer van Cliff Martinez, voormalig drummer van onder andere de Red Hot Chili Peppers, maar toch vooral filmcomponist. Dit werkt goed bij rijscènes ‘s avonds en helikoptershots van nachtelijk Los Angeles (beide beelden worden herhaaldelijk ingezet) maar niet bij elke actiescène. Een ander foutje lijkt mij het lied Oh My Love, gezongen door Katyna Ranieri, dat wordt ingezet als Shannon, de goedaardige garagebaas vermoord blijkt te zijn. Er worden zeker emoties door dit lied opgewekt, maar romantiek is bij mij niet dezelfde emotie als onrecht.
Na afloop van de film hoorde ik achter me een meisje tegen haar vader zeggen dat de film helaas niet echt was wat ze had verwacht. Haar vriendin had gezegd dat het een soort The Fast and The Furious was, maar dat is het niet. Een misverstand wat een vrouw in de V.S. heeft aangegrepen om een rechtszaak te beginnen. Om dergelijke teleurstellingen te voorkomen is het begrijpelijk dat Pathé de film als PAC-film gemarkeerd heeft. De film is dan ook artistiek gefilmd, de rol van de protagonist is complex en bepaalde geweldscènes worden vrij uitvoerig in beeld gebracht. Toch lijkt het of de regisseur ook niet echt wist welk publiek hij nou wilde aanspreken. De hele film blijft hierdoor wat houterig, maar weet uiteindelijk te overtuigen door een spannend plot en een sterke soundtrack.
Soms hoor je een naam zo vaak dat de herhaling de nieuwsgierigheid de kop in drukt. Zo gingen jarenlang mijn gedachten: ja Hemingway, Amerikaanse literatuur, er zijn liedjes over geschreven, het komt er wel een keer van. Omdat ik een tijdje geleden Vonnegut’s Slaughterhouse-Five las, wat bekend stond als boek met een anti-oorlogsmentaliteit, werd mijn interesse gewekt door A Farewell to Arms, dat eenzelfde omschrijving krijgt toegewezen. Wel gaat het om een andere oorlog (de eerste in plaats van de tweede), alsook een andere tijd.
Waar ik niet zo erg onder de indruk was van Slaughterhouse-Five, werd ik des te meer geraakt door A Farewell to Arms. De vluchtige, gedetailleerde manier van schrijven en het persoonlijke, veelzeggende verhaal. Met zijn korte en treffende zinnen spreekt hij vrijwel al je zintuigen aan. Je ziet de zon ondergaan, je proeft de oude wijn, terwijl je ondertussen meevoelt met de personages. Hemingway laat de harde en absurdistische werkelijkheid van de oorlog zien, waar jonge levens slechts getallen zijn in de ogen van hun bevelhebbers. Maar ook in nare tijden is er plaats voor romantiek, want juist deze gedachten aan je eigen menselijkheid en de hoop die ermee samengaat helpen je weerstand te bieden tegen het mensonterend leed dat elke oorlog met zich mee brengt.
Hemingway’s talent om specifieke details te benoemen die een bepaalde beleving uitdrukken geeft voor enkelen ook het gevoel van langdradigheid. Toch is dit juist wat zijn schrijven aantrekkelijk maakt. Hij ervaart een zeker bewustzijn van zijn omgeving, wat hij vastlegt in scherpe bewoordingen die soms ook nog grappig zijn.
Het rommelig rumoer dat voorafgaat aan elke film leek door de akoestiek van de Jurriaanse Zaal gladgestreken te worden tot een zacht gefluister. Op het International Film Festival van Rotterdam van 2008 werd deze avond de gerestaureerde versie van Come Back, Africa vertoond. Een indrukwekkende film uit 1959 van Lionel Rogosin, die de apartheid in Zuid-Afrika in beeld brengt. Het muzikaal talent dat deze film ondersteunt maakte de vertoning in deze kleine concertzaal volledig gerechtvaardigd.
De film draait om de protagonist Zachariah Mgabi die op zoek moet naar werk en in een neerwaartse spiraal terecht komt. In eerste instantie kan hij terecht bij de beruchte mijnen. Dat is echter behoorlijk zwaar werk en het verdient ook nog eens slecht. Vervolgens krijgt hij bureaucratische problemen omdat een verklaring nodig is om aan ander werk te komen, maar werk nodig is om die verklaring te krijgen. Bij elke baan die hij vindt wordt hij na korte tijd weer ontslagen. Zijn vrouw, Vinah Makeba , weet werk te vinden als dienstmeisje. Maar als Zachariah bij haar blijft slapen, wordt hij door de politie gearresteerd omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan huisvredebreuk. Alsof dit nog niet vervelend genoeg is, blijkt gedurende zijn afwezigheid Vinah vermoord te zijn, nadat ze niet was ingegaan op de avances van een tsotsi, de benaming van eengangster in Johannesburg.
Hoewel dit vrij dramatisch overkomt is het niet een gewone speelfilm. Deze tweede film van Rogosin, valt net als zijn eerste, On The Bowery uit 1956, onder het genre cinema verité. Het is een combinatie van documentaire en drama, waarbij de regisseur een zo getrouw mogelijke weergave van de situatie probeert weer te geven. In tegenstelling tot het soortgelijke genre direct cinema, waar de camera slechts registreert en de gebeurtenissen niet worden beïnvloed, kan er hierbij ook gebruik gemaakt worden van gesimuleerde scènes. Deze behoefte aan oprechte film past in een tijd waarin het medium aan het begin stond van haar ontwikkeling en de verschillende intenties, zoals propaganda, niet altijd helder waren.
Juist in een land als Zuid-Afrika speelden films in op bestaande vooroordelen van het racisme. Al vanaf 1910 zetten Afrikaners in film ‘zwarten’ neer als demonen. Veertig jaar lang schetste de Zuid-Afrikaanse filmindustrie een beeld van een blanke beschaving die zich niet alleen moest beschermen tegen de barbaarse kleurlingen, maar hen ook moest civiliseren. Er zou uiteindelijk een buitenlandse regisseur (Rogosin) voor nodig zijn om een eerlijker beeld van de maatschappij te presenteren. Het werd hem niet in dank afgenomen, aangezien de film in Zuid-Afrika meteen in 1959 werd verbannen.
De naam van de film is de letterlijke vertaling van de slogan van het Afrikaans Nationaal Congres (ANC), die was opgericht voor de rechten van de zwarten. Hoewel de film op het Film Festival van Venetië in 1959 de belangrijke Italian Critics Award won, slaagde Rogosin er niet in om de film onder de aandacht van het grote publiek te brengen. Dit had misschien te maken met het zo nu en dan matige acteerwerk van de amateuracteurs, maar kan ook veroorzaakt worden door het politiek beladen onderwerp. De meest gehoorde kritiek gaat inderdaad over het enigszins teleurstellende drama, maar dit weegt niet op tegen enerzijds de mooie beelden en de spontane muziek en anderzijds het historische belang dat deze film vertegenwoordigt. Zelfs één van de drie scriptschrijvers, Lewis Nkosi, was zich bewust van de matigheid van het script. Hij vond het belangrijker dat Come Back, Africa de eerste film was die een eerlijk beeld gaf van de apartheid.
Een andere kritiek werd tenminste één keer geuit over de lijdensweg van Zachariah, die tegenslag na tegenslag te verduren krijgt. Het publiek kan hierdoor het gevoel krijgen dat de situatie niet te veranderen is, dat de problemen te overweldigend zijn. Voor een documentaire zou dit gevaarlijke eigenschap zijn. Toch is het juist de kracht van de documentaire, de intentie van eerlijkheid, waarmee het zich in positieve zin onderscheidt van fictie. In Come Back, Africa probeert Rogosin de wereld vast te leggen zoals hij die in Zuid-Afrika heeft ervaren. Zo wanhopig als de protagonist van alle tegenslagen wordt, zo hebben veel negers de toenmalige situatie ongetwijfeld ook ervaren. Het is de toegevoegde waarde van de cinema verité dat het zichzelf de ruimte gunt om de onfilmbare werkelijkheid voor de camera te ensceneren. Voor een groter realisme, kan de realiteit soms worden aangepast.
[Miriam Makeba - Pata Pata | komt overigens niet voor in Come Back, Africa]
De kleine rol voor de in 2008 overleden Miriam Makeba zou uiteindelijk haar internationale doorbraak betekenen. Met het omkopen van enkele Zuid-Afrikaanse ambtenaren slaagde Rogosin erin om haar naar het Film Festival van Venetië te krijgen. In nog hetzelfde jaar maakte ze haar Amerikaanse debut. Come Back, Africa werd in 2005 gerestaureerd en draait sindsdien, zo ook in 2008, op filmfestivals. Nog dit jaar brengt Milestone Films een Blu-Ray set uit van het werk van Rogosin, hierop zal onder andere Come Back, Africa verschijnen.